Een voet tussen de deur (Dutch book review)

Eric Duivenoorden, zelf vroeger kraker in de Staatsliedenbuurt, beschrijft in negen hoofdstukken in grotendeels chronologische volgorde de geschiedenis van de kraakbeweging in Nederland. Amsterdam is hiervoor natuurlijk het hoofdtoneel, maar ook Nijmegen, Utrecht, Haarlem en Groningen komen voorbij. Hij legt de verschillen tussen de kraak-generaties uit een. De eersten in de jaren 60 zijn meestal jonge families, die klandestien panden die gepland staan voor de sloop maar jarenlang blijven leegstaan bewonen. In de jaren 70 verspreid het kraken zich rap en wordt het steeds meer een vorm van politieke actie tegen leegstand, het falende woonbeleid, en idiote stadsvernieuwingsplannen.

Toendertijd wou de Amsterdamse gemeente kantoren in de binnenstad neerzetten, de ring uitbreiden door het centrum, en vele oude wijken platgooien om metro-lijnen aan te brengen. Gelukkig is mede door kraak-acties dit grotendeels tegengehouden, alhoewel de oude Jodenbuurt wel is  platgegooid en Amsterdam tegenwoordig een spuuglelijk groot stadhuis heeft op grond waar vroeger mooie oude panden stonden (hadden ze niet beter dat grote lege huis op de Dam kunnen terugclaimen voor Amsterdam van die éne familie die het op illegale manier verkregen heeft?).

In de jaren 80 veranderde kraken van een maatschappelijke actie over volkshuisvesting steeds meer in een radicale manier van leven tegen ‘het systeem’. Eric Duivenoorden beschrijft deze kraakideologie als volgt samen: ‘Het enige wat de krakers zeker weten is wat zij niet willen. Waar dat eigenmachtige lot uiteindelijk toe moet leiden, is geen vraag die de doorsneekraker bezighoudt.’ Dus tegen de moderne consumptie-maatschappij en burgerlijk carrière maken. Hoewel het voor de meerderheid van de tienduizenden krakers het nog steeds gewoon om goedkope huisvesting ging, kwam er ook steeds meer een parallelle scene waar elk deel van het moderne stadsleven zijn eigen anti-commerciële tegenhanger kreeg, met restaurants/voku’s, ateliers, garage/winkels, theaters, cinemas, kinderopvang enzovoort. Deze parallelle scene opgebouwd in de jaren ’80, alhoewel kleiner dan toen, bestaat nog steeds, en veel van toen is nu gelegaliseerd/geinstitutionaliseert.

Verder omschrijft Duivenoorden hoe de kraakbeweging na zijn het hoogtepunt met de grote straatgevechten en het kroningsoproer van begin jaren 80 steeds kleiner en radicaler wordt met als eindpunt de reeks aanslagen van RaRa. Het laatste hoofdstuk geldt als een soort evaluatie, waar de teruggang van kraken in de jaren ’90 behandeld. Zo beweert hij dat de vele problemen rond (jongeren-)huisvesting een stuk minder zijn geworden, maar dat zolang er ‘louche huisjesmelkers en andere nietsontziende projectontwikkelaars’ zijn zal kraken een functie hebben.

Tram in de fik na ontruiming Lucky Luijk, oktober 1982

Misschien zijn Duivenoorden’s conclusies zo nu en dan iets te optimistisch. De problemen mogen dan veranderd zijn, in plaats van dat gezinnen de binnensteden probeerden te verlaten zijn de prijzen er daar juist nu zo ontzettend gestegen dat ze vaak ontoegankelijk worden voor de lagere inkomens. Woning leegstand mag dan minder zijn dan in de jaren ’80, er staat nu wel alleen al in de regio Amsterdam meer dan 2 miljoen vierkante meter kantoorruimte leeg door de crisis en vastgoed-bubbel. Daarnaast is er een behoorlijke crisis op de Nederlandse woning-‘markt’ en zijn sociale woningbouw corporaties schandalig bezig en veranderen sociale huurwoningen steevast in luxe koop appartementen. Oude volkswijken zoals de Pijp en de Jordaan zijn al volledig veryupt en gentrificatie slaat overal binnen de ring toe.

Interessant is wel zijn discussie over culturele broedplaatsen, hoe de gemeente er eind jaren ’90 achterkwam dat het ontruimen van al die kraakpanden met hun alternatieve scene er ook voor zorgt dat er van de stad weinig meer overblijft dan een leeg consumptie paradijs. Duivenoorden juicht het culturele broedplaatsen beleid toe en stelt dat het één van de resultaten van kraken is, en daarmee nu ook één van de redenen voor de terugval van de kraakbeweging. Ik zou alleen wel wat kritischer over deze culturele broedplaatsen zijn. Legalisatie is natuurlijk ook co-optatie. Alle regeltjes hebben een depoliticiserend effect, het wordt minder relevant, en kunstenaars veranderen in ‘creatieve ondernemers’. Culturele broedplaatsen kunnen nooit dat wat is neergezet door krakers vervangen.

Sterk is daarentegen zijn argument over hoe de disciplinering van de jeugd leidt tot een kleinere toewas van krakers. Soms wordt er geklaagd dat er tegenwoordig weinig maatschappelijke betrokkenheid is vergeleken vroegere generaties, maar studenten en scholieren zitten nu in een veel steviger keurslijf door allerlei veranderingen in de laatste 30 jaar. Toen kon een 18 jarige nog een uitkering krijgen of jarenlang studeren met een doorgaande beurs, nu worden studenten bedreigd met een langstudeerboete als ze een jaartje langer bezig zijn en zijn  de studentenschulden sterk gestegen. Natuurlijk is er ook een culturele verandering, een sterke individualisering onder het neoliberalisme, met jongeren die vanaf de middelbare school al druk bezig zijn met hun carrière (een paar jaren kraken staat niet goed op je cv), maar dit is tot op zekere hoogte ook een rationalisatie van veranderende omstandigheden. Hoewel het wel tragisch is hoe jongeren in de jaren ’80 het idee hadden dat ze een ‘no future’ generatie waren, terwijl dit voor de huidige generatie nog veel meer het geval is met het failliet van het westers economisch model en een crisis die alleen maar erger gaat worden. Men is zich er alleen nog niet zo bewust van.

Wat ik miste in dit boek was de internationale dimensie. Het krakers symbool van de cirkel met de bliksemschicht is bijvoorbeeld bedacht in Nederland (alhoewel overgenomen van weggeloopte slaven en daklozen in de VS die het achterlieten voor toekomstige reizigers om ze te laten weten of de eigenaar van een stuk grond goedgezind of niet), maar tegenwoordig zijn daar meer van buiten dan binnen Nederland op de muren gespoten.In het boek wordt er af en toe wel gerefereerd naar solidariteitsdemo’s in of voor het buitenland, maar de spreiding van krakerscultuur en de verschillen tussen landen had toch wel even behandelt kunnen worden.

Net als Duivenoorden vind ik de discussie van hoe je kraken moet duiden als middel van protest interessant. De recensie van Marja Pruis in de Groene was behoorlijk kritisch over wat de kraakbeweging nu wel bereikt heeft en beweert dat The Ex (geniale band!) eigenlijk het enige is dat zich nog altijd doorontwikkeld. Maar dit is wel erg cynisch. Ik denk dat allerlei kraakiniatieven, door te laten zien dat er buiten de  dagelijkse commerciële drab een andere manier van leven mogelijk is, een grote positieve invloed hebben beoefend op grote groepen mensen en dat dit nog steeds doorgaat (op een wat lagere schaal dan in de jaren ’80). Maar die discussie over effectiviteit en politieke strategie is wel een interessante. Want wat heeft die meest radicaal gepolitiseerde Nederlandse generatie ooit in het krakerstijdperk van de de jaren ’80 nou uiteindelijk bereikt?

Ook Duivenoorden omschrijft hoe de beweging van breedmaatschappelijke buurtstrijd over woningbeleid (vaak samen met andere progressieve bewegingen – inclusief de CPN) veranderde in steeds radicalere maar ook in zichzelf gekeerde politiek. Volgens mij kun je dit linken met een proces dat je ook in andere Westerse samenlevingen terugziet, dat de ’68 generatie met alle tegencultuur juist ook voor individualisering zorgde  (en daarmee onopzettelijk ook de neoliberalisering mogelijk maakte). Ik heb vaak het idee dat dit tot op zekere hoogte ook de de populariteit van anarchisme verklaart*, aangezien dit tegenwoordig wel de meest populaire radicale politieke ideologie is in het Westen in tegenstelling tot de oudere collectievere vormen van verzet. Anarchisten en krakers (na het kroningsoproer) hebben vaak moeite om de ‘gewone (hard!-)werkende mensen’ te betrekken in hun politiek activisme. Een interessante vergelijking kun je maken met de de oude socialistische bewegingen van voor de tweede wereldoorlog. Deze brede maatschappelijke organisaties hadden ook een soort ‘lifestyle politics’ met muziek-/sport-/kinder-/vrouwen-verengingen, theaters, met hun eigen optochten en manifestaties, maar dan toch met meer verbindingen naar de ‘massa’ en de ‘gewone mensen’ vergeleken de parallelle  scene van de krakers. Niet dat ik weet wat voor punt ik hier wil maken, maar het boek zette me hier wel aan het denken.

4 maart 1987, krakers demonstreren bij het Paleis van Justitie in Amsterdam tegen de Leegstandwet.

Het deed me ook denken aan al de tegenstrijdigheden en het dubbelzinnige. Tegen het systeem zijn, maar tegelijkertijd wel van stufi en bijstand profiteren. ‘Jullie rechtsorde, niet de onze’, maar tegelijkertijd wel alle mogelijke juridische trucs toepassen om maar in panden te kunnen blijven wonen. Radicale individuele vrijheid prediken, maar ook te vaak een verstikkende onvrijheid met vaak dezelfde kledingskeuzes en alles. Idealisme, maar soms ook wel egoïstisch eigenbelang. En juist ook kunnen bestaan omdat de progressievere elementen binnen ‘het systeem’ zich enigzins welwillend opstellen. Op de PVDA burgemeesters in Amsterdam wordt vaak terecht gescholden, maar het had er natuurlijk wel heel anders uitgezien als de VVD de burgemeesters van Amsterdam had geleverd.

Het bovenstaande is in ieder gevel geen argument tegen kraken, maar meer een argument om het niet alleen bij kraken te laten.

 

 

*Soms vraag ik me af of het er ook anders uit had gezien als bijvoorbeeld bands als de Rondos meer populair waren geweest dan Crass.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s